Boer Arkema verdween en dook honderd jaar later weer op.

Herenboer Hendrik Bakker Arkema uit Westeremden verdween aan het begin van de vorige eeuw van de aardbodem. Bijna honderd jaar later dook hij weer op aan de andere kant van de oceaan. Een familieportret in stippellijnen. ,,Ik had dit mijn vader nog graag even achterna geroepen.’’

Niemand wist waar hij was. En dat vond Hendrik Bakker Arkema wel best. Ze hadden hem gesommeerd te verschijnen in het paleis van Justitie aan de Boteringestraat in Stad, op 1 maart 1906. Ze wilden er een poging doen om hem te verzoenen met zijn vrouw, Frederika Heidema, die scheiding van tafel en bed had aangevraagd. Hij was niet op komen dagen. Toen had de rechter de scheiding uitgesproken, en een paar maanden later had zijn vader Egge de hele inboedel van Fylinga, zijn boerderij aan de Breedeweg in Westeremden, bij opbod verkocht. De rijtuigen. De meubels. De ploeg. Er was genoeg te halen geweest.
Vijf jaar was hij getrouwd met Hendrika, boerendochter uit Westernieland. Ze moesten wel trouwen; zijn oudste zoon, Hendrik Willem, werd vijf maanden na de huwelijksvoltrekking geboren. ‘Het was een zeer slecht huwelijk van het begin af aan’, had zijn vrouw tegen de kantonrechter gezegd. Haar echtgenoot was door al dat geruzie aan de drank geraakt en daar werd de liefde alleen maar lelijker van. Hij had zelfs de paarden verkocht om zijn drankrekeningen te betalen en als hij thuis was, had hij niets dan ‘grove beledigingen’ voor haar. Frederika wilde van hem af.
Wat moet een man, 29 jaar oud, zonder toekomst, zonder geld, zonder huis, zonder huwelijk? Die vertrekt. Weg uit Westeremden, weg van een leven vol schande.
Voor zijn jongens speet het hem. Ze waren nog zo klein: Hendrik Willem was 4, Pieter Wilte nog maar 3 jaar oud. Ooit zou hij ze weerzien, nam hij zich voor. Over een jaar. Twee misschien. Drie.
En zo gebeurde het dat Hendrik Bakker Arkema op een stoomboot stapte naar Amerika en verdween in de nieuwe wereld aan de overkant van de zee.
En dat, zeiden ze in Westeremden, was dat.
Hele stap
Zwijgen. Wat doet dat met een familie? In de daaropvolgende decennia zou niemand meer praten over Hendrik, dat zwarte schaap. Het werd dus speculeren: zijn ouders, de steenrijke Egge Arkema en Hilje Bakker, zouden hem zelf op de boot hebben gezet. Hij zou een pakje sigaretten hebben willen kopen en was nooit teruggekeerd. Hij zou in Canada zijn. Hij zou koetsier zijn geworden. Hij zou dood zijn.
Wanneer ging Hendrik naar Amerika? Was dat 1906 of 1907? Niemand kan het meer vertellen. Vertrok hij uit Rotterdam? Of uit Bremerhaven, waar de Barbarossa, de Main en de Bremen om de paar dagen naar Halifax voeren? Zijn naam komt op geen enkele passagierslijst voor.

Het moet een hele stap zijn geweest, van de wal de loopplank op. De overtocht was bepaald niet zonder gevaren; in februari 1907 liep voor Hoek van Holland, in het zicht van de Rotterdamse haven, veerboot de Berlin vast op de Hollandse kust en brak in tweeën. Vijf jaar later – Hendrik was toen al aan de andere kant van de oceaan – crashte de Titanic op een ijsberg.
Hendrik was niet de enige die een overzeese uitweg zocht voor de problemen die zich thuis hadden opgestapeld. Aan het begin van de twintigste eeuw vertrok een op de drie Nederlanders naar Amerika. Landverhuizers werden ze genoemd, en ze hadden geen beste naam. Wie uit Nederland vertrok, zo was de heersende gedachte, zou wel iets op zijn kerfstok hebben. De NASM, de Nederlands Amerikaanse Stoomboot Maatschappij, later de Holland Amerika Lijn, had als bijnaam: Neem Alle Schurken Mee.
Was Hendrik een schurk? Hij hield van stropen, zo blijkt uit een krantenberichtje uit 1901. Drank, daar hield hij blijkbaar iets te veel van. Maar dat was geen uitzondering in die tijd. In Groningen waren veel mannen niet vies van brandewijn en werd er soms ‘s morgens al Kluinbier gedronken, een brouwsel dat zo stevig was dat je erop moest kauwen.
Konden we maar in het verleden kijken: Hendrik, met malende kaken zwalkend over de Groninger klei. Hendrik, aan boord stappend van – bijvoorbeeld – de Barbarossa, waar zijn hut op het goedkope tussendek de grootte van een hondenhok mat en hij aan dek de kust van Europa kon zien vervagen. Hendrik, iedere dag zijn beddengoed buiten hangend, zoals stond voorgeschreven in het Besluit omtrent den Doortogt en het Vervoer van Landverhuizing. Hendrik, werkend in de kombuis, waar de kok de spijs toebereidde van gezouten vleesch en peulvruchten, een karwei waarbij de landverhuizers beurtelings dienden te assisteren.
We zien Hendrik op al dit soort momenten voor ons.
Maar de stilte zit de overlevering van feiten in de weg. Hendrik heeft zijn familie regelmatig geschreven, maar er zijn maar drie brieven bewaard gebleven. In 1907 en 1908 schreef hij naar zijn ‘waarde vriend’ Barthold in Groningen. De eerste brief, gedateerd op 14 juli 1907, was nog positief van toon: de overtocht naar Halifax was ‘één storm al storm’ geweest maar hij was niet zeeziek geworden, hij had een klus bij een boer gevonden voor de lieve duit van 36 dollar per maand, en hij nodigde zijn hele vriendenclub uit om eens te komen kijken naar de hazen en patrijzen die in dit wonderbaarlijke oord te vangen waren.
Landverhuizers schreven vaak dit soort zogeheten ‘spekbrieven’ naar huis, optimistische verhalen waarin ze getuigden van de overdaad en de mogelijkheden die het nieuwe land bood.
Maar Hendriks tweede brief was al iets minder vrolijk. Hij schreef dat hij in een ziekenhuis had gelegen en dat dat hem zo veel geld had gekost, dat iedereen al bezig was met de ‘Kristmis feest’. Hij was blij verwonderd over de egalitaire omgangsvormen; hij was in een restaurant in gesprek geraakt met een echtpaar dat buiten een rijtuig had staan met een in livrei gestoken bediende erop. ‘Zij spraken met mij alsof ik ook zóón heerschap was, en ik zat er gewoon aan den disch, met niet eens een boord of zooiets, enkel een wollen trui.’
De laatste brief, uit 1908, was ronduit somber gestemd. Hij had van zijn ouders al vier maanden niets gehoord. ‘Al vaak heb ik geschreven hoe het ging met de jongens, maar geen bericht. Zeker ben ik dood voor hen, Barthold.’ En: ‘Zeker is het leven hier geen hemel op aarde, geheel alleen zonder vriend of zoo iets.’ Hij nam zich voor om ‘dezen herfst, en anders in ieder geval de volgende, om U allen en mijne jongens nog eens weer te zien. Stuur mij eens een portret van je en van allen die er een over hebben, om mijn kamer te sieren. Een ansicht is ook alrait.’
En toen? Niets meer.

Hele stap
Hendriks zoons, Hendrik Willem en Pieter Wilte Bakker Arkema, hebben nooit geweten waarom hun vader van de ene dag op de andere was verdwenen. Ze groeiden op in Westernieland in het vage besef dat hun vader naar Amerika was gegaan. Hun moeder kon niet hertrouwen want ze was immers nog steeds niet officieel gescheiden van haar verdwenen echtgenoot. De scheiding van tafel en bed maakte dat Frederika voor de wet nog steeds handelingsonbekwaam was, zodat ze, toen haar vader in 1907 overleed, toestemming moest vragen om zijn erfenis te mogen ontvangen.
In 1921 vertrok haar oudste zoon, Hendrik Willem, ook naar Amerika. Deels omdat hij er wilde wonen, deels om zijn vader op te sporen; dat laatste zonder resultaat. Hij vestigde zich in Lansing, Michigan, en staakte zijn zoektocht op een plek die, zo zou later blijken, hemelsbreed niet ver verwijderd was van de plek waar zijn vader toen woonde.
Hendriks broer Pieter Wilte ging naar de landbouwhogeschool in Groningen, waar hij zich in het studentenleven stortte. Hij trouwde tweemaal, beide keren met vrouwen die Nel heetten, met de eerste woonde hij Groningen, waar hij leraar werd op de Middelbare Landbouwschool. Ze kregen twee kinderen; Frits en Henriëtte. Zijn eerste vrouw overleed jong. Met zijn tweede vrouw verhuisde hij naar Wageningen, waar hij verbonden werd aan de Landbouw Hogeschool en waar in 1949 zijn zoon Martin geboren werd.
,,Het was altijd een gezellige boel bij ons thuis’’, herinnert Martin Bakker Arkema zich. ,,Mijn ouders waren echte levensgenieters. Maar mijn vader heeft zich altijd afgevraagd waar zijn vader Hendrik was gebleven. Hij wist wel dat hij die drie brieven had geschreven, hij had ze ook gelezen, maar hij ging ervan uit dat Hendrik dood was. Mijn vader was een vrolijke prater, maar over zijn vader: geen woord.

En toch, in 1984, het jaar dat hij stierf, zei hij ineens dat de verdwijning van zijn vader als een schaduw over zijn leven had gelegen.’’
Ook Martin wist dat zijn opa die brieven had geschreven. Maar hij mocht ze niet lezen. Voor zijn vader was er maar één manier om de pijn te begraven en het verdriet eronder te houden: zwijgen.
Antwoord
Zwijgen? Ella Arkema uit Loppersum weet er alles van. Ze was getrouwd met Rembertus Arkema, de zoon van Hendriks broer, ze kende het verhaal over zijn mysterieuze verdwijning alleen uit overlevering. ,,Hij zou door zijn ouders op de boot zijn gezet, dat is wat ik hoorde.’’ Ernaar vragen? Dat deed je niet. ,,Vroeger vroeg je niks”, zegt ze. ,,Ik heb mijn moeder ooit een keer iets gevraagd. Toen zei ze: wacht maar tot je groot bent. Toen was ik al over de 30.’’
Het was Ella Arkema, die in het jaar 2005 een brief kreeg die een antwoord zou geven op vele vragen.
Voor je familieverleden kun je tegenwoordig terecht op internet. Als er iemand is die dat weet, is het Dawn Tubicz-Baker uit Manitoba, Canada, al jarenlang verwoed werkend aan het samenstellen van haar familiestamboom. Toen ze op zoek ging naar het geboortecertificaat van haar greatgrandfather Henry Baker, zag ze dat hij bij zijn geboorte een andere naam had gekregen.
Hendrik Bakker Arkema.
Bij de Groninger Archieven wist collectiebeheerder Cees Tromp haar van meer informatie te voorzien; onder andere over Hollandse familieleden van wie zij het bestaan nooit had bevroed. Ze schreef brieven naar Frits en naar Ella Arkema. Kende iemand haar overgrootvader?
Nou, dat kon je wel zeggen.
Zo vielen, bijna 100 jaar na zijn grote oversteek, de puzzelstukjes van Hendriks leven in elkaar, en kreeg het familieportret langs stippellijnen zijn uiteindelijke vorm.
Big Strong Man
Hoe was het hem vergaan? Twee jaar na zijn laatste brief aan Barthold was Hendrik, die zich nu Henry Baker noemde, opnieuw getrouwd met de tengere Schotse Isabella Crawford. In 1911 kocht hij een stuk land in Manitoba en bouwde er een houten boerderij op. Twee zoons kregen Isabella en Henry: James en Harry.
Een koppige opa was het, zo herinneren zijn Canadese kleinkinderen zich. Een ‘big, strong man’, met brede borstkas en dito armen- een beetje Popeye-achtig. Een opa die, dat vonden ze heel bijzonder, zijn eten door elkaar stampte. En zijn koffie van zijn schoteltje dronk.
Rijk zou Hendrik niet worden. Het land dat hij bewerkte was moerassig, vol stenen en struiken. Toen Canada betrokken raakte bij de eerste Wereldoorlog, meldde hij zich bij het leger, hij was toen bijna 40 jaar oud. Misschien uit moed of vaderlandsliefde, misschien omdat de soldij meer bedroeg dan hij op het land bij elkaar kon werken. Feit is dat hij de oversteek opnieuw maakte, nu in andere richting, naar België. Hij raakte gewond, werd verpleegd in Engeland en keerde terug naar Canada, waar hij voor zijn moed werd onderscheiden.

Groningen was in jaren niet zo dichtbij geweest. Maar hij ging er niet heen; die moed ontbrak hem.
Hendrik Bakker Arkema overleed op 4 november 1947, in een ziekenhuis in East Kildonian, Manitoba, 70 jaar oud. War veteran dies of burns, kopten de kranten. Hij had in zijn bed zijn pijp willen aansteken, reikte naar het nachtkastje, het luciferdoosje vatte vlam, belandde tussen zijn dekens en zette het bed en Hendrik in brand.
Hij werd begraven op Brookside cemetry en nam zijn geheim mee het graf in; het verhaal van de verloren vader die nooit meer naar huis was gegaan.
Vraagtekens
Waarom liet hij na 1908 nooit meer iets van zich horen? Was het uit schaamte? Uit woede, uit trots? Had hij in Canada gezegd: Stik d’r den ook moar in? Werd het hem verboden? Was hij bang dat zijn huwelijk met Isabella onwettig zou worden verklaard? Heeft hij zijn Nederlandse zoons nog gemist? Hoeveel jaren heeft hij nog, in stilte, aan hen gedacht?
Het bericht waarin het overlijden van Henry Baker wordt gemeld.
Zo eindigt deze familiegeschiedenis met vraagtekens aan beide zijden van de oceaan. In Canada was de familie geschokt, zelfs schuldbewust dat hun leuke rolypoly granddad een vrouw en twee jonge kinderen had verlaten in Europa.
Het contact tussen Hendriks nakomelingen uit zijn eerste en zijn tweede leven is hartelijk. Ze hoeven geen brieven naar elkaar te schrijven om vervolgens wekenlang te moeten wachten op antwoord – een muisklik volstaat. Ze mailen, wisselen foto’s en herinneringen uit. Dat zijn de zegeningen van de moderne tijd.
Maar Martin Bakker Arkema had er een lief ding voor over gehad als Hendriks geheim eerder was ontsluierd. ,,Toen mijn opa getraceerd werd, trof me dat diep. Te laat, dacht ik, te laat! Mijn overleden vader had dit moeten weten. Deze onwetendheid was het grote verdriet van zijn leven. Ik had het hem graag nog even achterna geroepen: Pap! We hebben hem gevonden hoor.’’
Dit verhaal kwam tot stand door gesprekken met nabestaanden van Hendrik Bakker Arkema, zijn brieven, de databases van de havens in New York, Halifax en Bremen en het speurwerk van archivaris Cees Tromp in de Groninger Archieven